AL IS EEN AMBACHT NOG ZOO ZIEK. 95
maar zijn oogen schitterden. Dit was voor Vader al een hooge lof geweest, want hij was geen man van veel woor-den en prees niet gauw.
״Nu moest je maar eens naar je oom Gijs gaan," zei Vader, en Marix ging, zooals hij altijd gewend was.
Oom Gijs was ook al van geen prijzerige natuur. Hij had geen verstand van de leerderij, maar kon wel heel goed zien dat de cijfers in de hoogte waren gegaan en het een schitterend rapport was. Hij zou er tegenover Marix niet veel van zeggen, maar tegen anderen zou hij opzwetsen over zijn beschermeling, zijn neef, op wien hij zoo onnoemelijk trotsch was!
Hij tuurde met zijn bijziende oogjes op de cijfers.
״Zoo jongetje, dus ik hoef je niet te vragen of je over-gaat, hé?”
״Nee Oom, dat spreekt vanzelf, er is geen een onvol־ doende bij.”
״Zorg dan maar dat het zoo blijft, zorg dan maar dat het zoo blijft, knaap!"
״Ik zal m'n best doen Oom.”
״En wat ben je nou van plan, als je over een jaar van de H.B.S. komt?” vroeg oom, die het best wist, maar het allemaal nog zoo graag weer eens hooren wou, want zijn hart verheugde zich als hij eraan dacht...
En Marix vertelde weer trouw al de bekende dingen...
Eindelijk ging hij met den gebruikelijken gulden naar huis, die hij al lang niet meer houden mocht, omdat de tijden te slecht waren.
״Het valt op een gloeiende plaat,” zei Moeder.
. .. En toen was het nog maar 'n kwestie van een paar dagen. Santje leefde in gespannen verwachting. Het zwijgen werd hoe langer hoe moeilijker ...
En op een avond zouden Vader en Moeder met ״de kinderen” (dat waren Nannie en Santje) naar de stad