94 IN DE GOUDEN KLOK.
De oude bank, die op de stoep stond, en waarvanaf je zoo heerlijk naar den zonsondergang kon zien, als die goud uitvlamde achter het zwarte silhouet van de ophaal-brug, merkte het wel dat Santje weer iets had om over te droomen. Want tegen den avond kwam zij er weer zitten, de handen in elkaar, en dan viel alles voor haar weg, de straat en de menschen en alleen de zonsondergang bleef, de groote, heerlijke hemel, als een achtergrond voor wat zij inzichzelf beleefde en overdacht. Dan was de lucht zoo goed en weldadig om haar heen en niets dat je stoorde; en het straatleven stroomde daar beneden ongemerkt langs je, je was alleen met je droomen. Zooveel speelde zich dan af in Santjes geest, zij zag zichzelf in de toekomst, dan eens zus en dan eens zoo, en zij vroeg zich af of het alles wel zoo mooi zou worden als zij zich voorstelde .,.
Zoo kenden de oude bank en zij elkander wel heel goed, het was of de bank van haar droomen wist, en of hij soms zei: kom je nogeens zitten?
Ook Moeder merkte op dat Marix zoo hard werkte. ״Ik wou dat die repetitie voorbij was . . .” zuchtte ze, want de jongen zag bleek. Gelukkig ging hij 'n enkelen keer ook weleens naar een vriend. Of hij daar ook werkte?
En eindelijk, eindelijk was de dag dan daar. Marix kwam thuis en ging naar zijn vader toe.
״Hier is m'n rapport, Vader,” zei hij, kalm en be-heerscht zooals altijd, alleen 'n beetje wit om den neus.
Vader keek het in. Het rapport was schitterend. Zijn vorige was goed geweest, maar hier waren bijna alle cijfers in de hoogte gegaan.
Vader zette zijn bril op den neus, om beter te kunnen zien. Hij keek lang.
״Dat is niet slecht," zei hij, ״Dat is beter dan den vorigen keer. Als je zoo voortgaat, dan kom je er wel.”
״Ja, dat dacht ik ook,” zei Marix, gedwongen kalm,