AL IS EEN AMBACHT NOG ZOO ZIEK . 91
niet veel voorkomt. En 'n fijne dame, ik heb wel voor tien gulden werk van haar in 't vooruitzicht!"
Hij legde de dubbeltjes neer op de tafel.
Dat was een opluchting! Nannie stond erbij met een vroolijk gezicht. Zie je wel, dacht ze!
״Nu moet er iets gehaald worden, om te eten," zei Vader.
״Voor middageten is het nu te laat," zei Moeder. ״Ik kan dat niet meer klaarmaken. Maar brood kan ook wel."
Dus gingen Nannie en Santje erop uit met de tasch.
Het duurde niet lang, toen ze terugkwamen, of de koffie geurde, de tafel was gezellig gedekt, ze konden toetas-ten...
En ineens was ook de drukkende stilte weg, het gesprek werd luidruchtig en vroolijk, ze merkten plotseling hoe 'n honger zij hadden. Het smaakten hun zoo heerlijk, de koffie met het brood en de boter en de kaas ...
״Ik vind dit veel lekkerder!" riep Nannie uit. ״We hoeven nooit meer middageten te hebben, ik wil wel altijd brood eten!”
Maar Vader liet het hoofd zakken. Ja, dat leek nu wel heel aardig voor 'n keer, maar het is niet prettig voor een man, als hij zijn gezin geen middageten kan verschaffen .. .
Moeder zag hem aan. ״Je ziet maar weer," zei ze, en Santje dacht natuurlijk dat er komen zou: je ziet maar weer dat God toch geholpen heeft. Maar dat kwam er heelemaal niet. Moeder sprak haast nooit over die dingen. Die waren haar te heilig, om over te spreken. Het moest wel de bittere nood geweest zijn, die haar vandaag die woorden uit den mond geperst had: ״God zal helpen."
En zoo kwam er heel wat anders, dan Santje ver-wachtte.
״Je ziet maar weer,” zei Moeder: ״al is een ambacht nog zoo ziek, het sterft niet!"