90 IN DE GOUDEN KLOK.
armen, met zijn bleeke gezicht en saamgeknepen lippen, ingespannen te werken. Vader was naar zijn winkel-werk-kamertje gegaan, waar hij met iemand scheen te praten... Santje stopte een kous, en Moeder ging als altijd, stille-tjes, bedrijvig rond.
״Zeg... hoe moet dat gaan vanmiddag?" zei Santje zachtjes tot Marix, toen Moeder even in de keuken was.
Marix haalde de schouders op. ״Ik weet het niet," zei hij. ״Dan eten we maar eens niet..."
Maar Santje dacht aan Moeder, die zoo bleek zag, en het zoo noodig had. Ze dacht aan het kleine Nannie, dat zeker zou beginnen te huilen, als er op den gewonen tijd niets was. En .., neen, ze voelde, dat dat niet kon, wat Marix zei.
Het ergste was nog Vaders verdrietige gezicht. Het was geen wonder, want hij voelde zich verantwoordelijk, maar zij zagen er tegenop, hem aan te zien, als hij binnenkwam.
Zoo was de lange middag voorbij gekropen. Het werd donkerder. Het werd buiten stiller, want het was etenstijd voor alle menschen. Santje en Marix, in hun opwinding, voelden den honger niet, dien ze anders op dezen tijd zeker zouden gehad hebben, Nannie had nog geen erg. Maar het was toch wonderlijk: nu was de tijd er, en er was nog niets in huis ... !
Uit den winkel ging iemand heen.
Vader kwam binnen. Nu moest er dus over gepraat worden.
Zij keken hem aan. Ze wisten niet, wat ze zagen! Hij was een ander mensch geworden. Er was licht in zijn oogen, en een lach om zijn mond,,, Zij hielden den adem in. Moeder kwam erbij staan,
״’n Glas," zei Vader, ״,n Glas op 'n horloge, 't Is maar een kleinigheid, maar we kunnen eten. Gelukkig dat ik het glaasje in voorraad had, want het is een nummer dat