MOEILIJKE DAGEN. 89
Zoo was het dien dag dan wel heel erg. Men had vast op het geld gerekend, en er was niets meer in Vaders groote portemonnaie. De grauwe armoede staarde hen aan: er was geen geld voor middageten. Zooiets was nog nooit gebeurd ...!
En de dag verstreek ... Straks zou het etenstijd zijn... Vader liep wanhopig rond, Santje en Marix waren onrus-tig, Moeder stil, in zichzelf gekeerd.
״Hoe moet dat nou?” zei Vader.
״God zal helpen,” zei Moeder, op haar stille, rustige manier.
Maar Santje dacht: dat wou ik dan toch weleens zien!
Marix zette zich met een strak, verbeten gezicht aan zijn huiswerk: werken, werken, dat was het eenige dat er-op zat, om later tenminste in staat te zijn, die domme, dwaze, verschrikkelijke armoede te overwinnen!
De eenige, die er niet al te diep onder gebukt ging, was Nannie. Ze kon er niet echt in gelooven. Er was altijd eten gekomen, er zou nu wel weer eten komen. Vader en Moeder hadden altijd voor alles gezorgd, en zij kon zich niet voorstellen dat zij nu niet, op de een of andere manier, zouden zorgen dat er eten was. Ze zouden hun kinderen toch niet laten verhongeren! De groote menschen weten altijd nog wel wat, en altijd waren zij er toch door-gekomen, als zij in den ergsten nood zaten.
Moeder had haar vertrouwen op God, en Nannie haar vertrouwen op Vader en Moeder. Maar Santje en Marix waren niet zoo zeker van de zaak, en Vader was de wan-hoop ten prooi.
En de tijd ging voorbij, 't zou weldra etenstijd zijn. Nan-nie speelde met de oude pop. Ze durfde nauwelijks spelen, omdat iedereen zoo gedrukt was, maar ze kon het toch niet laten. Ze deed maar heel zachtjes...
Marix, gebogen over zijn boek, zat, geleund op zijn