88 IN DE GOUDEN KLOK.
haar, en als zij ze kreeg dan was het dikwijls nog maar een blauwachtig vocht, met water erdoor. Het was geen wonder, dat zij diefachtig werd en de buren kwamen klagen dat zij de vischjes van de tafel stal. Er wordt heel wat geleden door de huisdieren in een arme buurt... En al de liefkoozingen, die vooral Santje en Nannie haar ruim-schoots ten deel lieten vallen, konden haar honger niet stillen en niet beletten dat zij heel mager werd, arme moederpoes die zij was.
Op een dag was de nood al heel hoog gestegen. Het was ook of alles tegenviel. Vader had nog een klein, vast inkomen. Dat waren de abonnementen in de rijke huizen, waar hij eens per maand de klokken kwam opwinden en nazien. ״Als ik daar maar wat meer van had,” zei Vader, ״dan konden we leven.”
Maar in plaats daarvan had er dien morgen, toen hij met kwitanties kwam, een bedankt, zoodat het geld met-een verviel, en ook de anderen, waar hij zijn kwitanties presenteerde, waar hij anders altijd vast op rekenen kon, hadden niet betaald. Zij waren niet thuis, of vroegen hem, terug te komen. Moeder zag het al aan zijn gezicht, toen hij thuiskwam. ״Geen cent ontvangen”, zei hij.
En tot overmaat van ramp bleef een meneer, die 's mor-gens zijn schuld zou komen betalen, weg.
Ook voor Moeder scheen er wel nooit meer werk te komen. Zij had dikwijls voor dames geborduurd, of kost-bare vloerkleeden of gordijnen gerepareerd, en dat was dan altijd een kleine bron van heerlijke extra inkomsten geweest. Maar de laatste keer dat zij zooiets gehad had, was al heel lang geleden, en zij durfde de dames niet meer lastig vallen. ״Als we iets voor u hebben, dan hoort u het wel," zeiden ze.