MOEILIJKE DAGEN. 87
over zitten als hij zijn schoenen beklopte, zag er mïstroos-tig uit: hij zei dat iedereen tegenwoordig zelf leer kocht om de schoenen der kinderen te lappen, inplaats ze aan hem te geven.
Maar al deze menschen konden tenminste uiting geven aan hun zorgen en nood, zij konden zeggen, wat zij noodig hadden en dan kon men zien, hoe ze te helpen waren.
In het gezin van Santje en Marix echter kon dat niet. Zij behoorden tot dat kleine groepje menschen, dat de netste, duurste woningen in de straat, de ,,benedenhuizen", bewoonde, — dat moest wel, omdat Vader een ״zaak" had.
Hen zag men nog voor welgesteld aan, en zij konden er niet toe komen, hun nood voor iedereen te toonen. Neen, de wereld mocht het niet merken, zij waren er te fier voor, de gedachte dat men hen zou willen helpen, de ge-dachte aan steun en bedeeling was onduldbaar voor een man als Vader, die zijn heele leven zijn eigen brood had verdiend en niemand naar de oogen had hoeven te zien.
En zoo breidde dan de vale armoede haar vleugels uit over het gezin, en drukte haar stempel op alles, op hun leven, hun heele hebben en houwen. De stoelen konden niet meer gemat worden, het karpet sleet, het behang was stuk, er kon niets nieuws worden aangeschaft.
De kleeren, dat was nog het ergste. Want dat ziet de buitenwereld. Het was verschrikkelijk voor den armen Marix, om op school de ״pijp kaneel” genoemd te worden, vanwege zijn kaneelkleurig jasje, dat eeuwig de te korte mouwen van zijn overigens nog nette pakje bedekte. En dat Nannie moest luisteren naar den naam: ״peperbus”, dien zij gekregen had omdat de witte nopjes van haar oude blauwe blousje, door het vele wasschen, langzamer-hand tot kleine gaatjes werden.
Zelfs de poes leed. Er was zoo vaak geen melk voor