86 IN DE GOUDEN KLOK.
zou men weer ruimer kunnen ademhalen.
En zoo bleef men waar men was, in die straat, waar de armoede als een ziekte de heele omgeving had aangetast. De nood ging er rond. Er was een vrouw, die heel veel kindertjes had, haast allemaal nog klein; ze ging erbij uit werken, en Moeder zei dat ze geholpen moest worden, want de vrouw was te zwak om uit werken te gaan en haar kindertjes moest zij daardoor verwaarloozen.
De vrouw van den loterijman lag ook al ziek in haar donkeren kelder, waar overdag al vaak de lamp brandde. Santje was eens bij haar binnen geweest met een bood-schap van Moeder en had zich verbaasd dat het er zoo keurig netjes was: in een kelder! Er lag een net, zwart met rood kleed op den grond en alles glom van zindelijk-heid en er stond een pendule met een koperen paard onder een stolp. Er waren papieren rozen aan de lamp, en op de mahonie latafel stond een keurig blaadje met kopjes en een theelichtje en trommeltjes. In de kasten waren mooie kastrandjes en er hing een wit gestreken schoor-steenvalletje voor den schoorsteen.
Maar de vrouw van den loterijman had geklaagd: niemand kwam haar helpen, ze was stijf van de rheumatiek, en het grondwater, dat vreeselijk stonk, — Santje rook het met afschuw! — welde op om haar mooie karpet te bederven. Santje begreep niet hoe men het daar kon uit-houden...
En de arme petroleumverkoopster van den overkant, die ook al in een kelder woonde, zei dat ze geen cent verdiende en in geen weken 'n stukje vleesch had gezien. De menschen kwamen wel petroleum halen en ook kruide-nierswaren, maar ze betaalden niet; iedereen borgde en ze kreeg geen cent in handen en ze durfde de menschen er ook niet om vragen, om geen klanten te verliezen.
De schoenmaker, die heelemaal krom was van 't voor