198 IN DE GOUDEN KLOK.
alles van elkaar erg goed hooren, het leelijke, maar ook het mooie.
En natuurlijk moest Marix’ viool eraan gelooven, en hij speelde een wals, uit Faust. Die is zoo wild en zoo mooi, daar kun je haast niet bij blijven zitten, en waarlijk, daar kreeg Vader het in de beenen, hij zei: maak 'n beetje plaats, en hij begon een dans... O, wat danste hij! Je had nog nooit zooiets gezien! Hij draaide om en om, stak zijn armen uit, stampte, klapte in de handen, sloeg zich op de dijen, hield de jaspanden sierlijk uitgestrekt als een danseres, deed alsof hij iemand wilde aanvallen, en hij eindigde met een grooten schreeuw. Hoi! riep hij. Ze lach-ten tot ze bijna omrolden ...!
Maar ook werden er ernstige dingen besproken, dien avond, en zoo werd er nog besloten, dat Santje het nog niet zou zeggen op den naaiwinkel. De juffrouw had haar altijd zoo netjes en lief behandeld, en nu was het ,t beste, dat de juffrouw het eerst van Vader en Moeder zou hooren, die dan meteen met haar konden overleggen om-trent den tijd waarop Santje zou weggaan.
Zoo had Santje het den volgenden dag dan niet zoo heel gemakkelijk, maar het lukte haar toch, te blijven zwijgen. Met haar zalige nieuws in zich liep ze rond, en het was bijna een bevrijding toen ze eindelijk naar huis kon gaan en 'n oogenblk met zichzelf alleen zijn.
Ze stond op de stoep, aarzelend om al voorgoed naar binnen te gaan. Het was zulk mooi weer, de zon ging onder, en de oude bank zag haar aan. Het was of die tegen haar zei: kom je niet weer eens zitten? We zijn zoo lang niet samen geweest...
En ze zette zich op de bank, haar handen klemden zich samen, ze staarde voor zich uit, alles ging haar door 't hoofd ... Niemand wist het nog bijna ...
Nel. Ze had het nog niet eens aan Nel gezegd. En die