NOGEENS DE OUDE BANK. 197
Trotsch! De gedachte was al te bespottelijk, en daar Santje toch eenmaal aan 't lachen was, lachte zij meteen eens hartelijk uit! Trotsch! Zij, het kleine, nietige Santje trotsch!
Het werd een gezellige avond. Sander schoof aan, men deed een spelletje, en had zooveel te praten! Sanders kan-toor, Nannie's apothekerij, en nu dit nieuws van Santje!
״Ik wil later m'n kinderen wel bij jou op school sturen," zei Nannie genadig.
״Dat is goed," zei San. ״Als ze dan maar niet zoo lastig zijn, want ik ben nogal streng.”
״Mijn kinderen zijn nooit lastig,” zei Nannie. ״Maar dan moeten jouw kinderen bij mij ook drop koopen, anders vind ik het valsch.”
״Mijn kinderen zijn nooit verkouden,” zei San.
Het oude kienspel lag op de tafel, en daar zij niet genoeg glaasjes hadden, om de nummers té bedekken, leg-den zij er doorgebroken apenootjes op. Maar soms be-gonnen zij te zingen, en dan werd er even niet doorgespeeld, want er zijn zulke mooie liederen. Moeder kende een lied van Mendelssohn: ״Wer hat dich, du schoner Wald”, en daar is zoo'n moeilijke tweede-stem bij, maar Santje en zij konden het zingen. Ook zongen zij met z’n allen dat mooie, oude:
״Uit den grijs-bemosten toren Dringt der klokken hel geluid .. .״*
En dan nog een lied, dat was drie-stemmig, dat konden de drie kinderen samen zingen, Nannie en Santje en Marix. Het is maar één regel: ״Alles wat adem heeft, love den Heer.” Dat is het heele lied, en toch is het zoo prachtig. — Bij de buren was dien avond geen geschreeuw of gedraaf, ze luisterden... Want in die huizen kun je