194 IN DE GOUDEN KLOK.
familie in den put laten zitten? Wat was dat voor werk? Moest Marix later, als hij dokter of zoo was, niet kunnen zeggen: mijn zuster de onderwijzeres? Hoe had hij zoo kinderachtig en zoo krenterig kunnen zijn om niet te be-grijpen, dat dat heele dappere gezin vooruit moest! Het was immers een geluk dat de kinderen zoo hun best wil-den doen!
Er was nog iets. Tegenover zijn oudere verwanten, zijn gelijken met wie hij was opgegroeid, kon het hem niet schelen om zich van zijn onaangenaamsten kant te laten zien; maar zoo’n jongen? Zoo’n dappere jongen, die je met zijn heldere, eerlijke oogen regelrecht aankijkt? Die iets goeds van je verwacht, omdat hijzelf ook goed wil doen? Neen, wat de anderen van hem dachten, kon hem niet schelen, maar de jongen mocht hem niet slecht of leelijk zien.
Nog altijd had hij gezwegen, Marix keek hem voor den tweeden keer aan.
״En ik wil het later ook terugbetalen," zei hij met vaste stem, ״als Santje het soms zelf niet kan,"
״Wie zegt er iets van terugbetalen?" zei Oom Gijs wrevelig. ״Heb ik gesproken van terugbetalen? Praat men daar onder familie van? Maar vertel me eens, bp hoeveel zal me die grap dan komen?”
״Eenige onkosten, en het schoolgeld voor de kweek-school," zei Marix. ״En misschien de boeken, ik weet niet of ze die krijgt."
״Die paar boeken zullen me den kop niet kosten," zei de oude man. ״Kom ik over die hond, dan kom ik ook over die staart.”
Wat was het hun wonderlijk te moede, toen ze weer op straat stonden! Ze konden nog niet begrijpen, dat het