HOE OOM GIJS OVER DEN HOND KWAM. 193
Vader liet moedeloos de armen zakken. Hij had het wel gedacht... Moeder begon te pleiten, trachtte nog te red-den wat te redden viel... Het eene woord haalde het andere uit, het gesprek dreigde onaangenaam te worden ...
Marix was bij het raam gaan staan. Hij keek naar buiten, Hij voelde het wel: er kwam niets van terecht, hun tocht was vergeefsch geweest, De groote menschen konden het niet, De groote menschen praten, ze meenen het wel best, maar ze verwijten elkaar allerlei dingen, ze halen oude koeien uit de sloot, en ze komen niet tot daden. Ze kunnen niet maar eenvoudig-weg doen wat er gedaan moet worden.
,,Dan zullen we nu maar gaan,” zei Vader. En hij hoorde hoe Vader opstond, en zich gereedmaakte om heen te gaan. De veldslag was verloren, wanhoop kwam over Marix; wat hij zoo zielsgraag verlangde zou niet ge-beuren ... Waren ze daarvoor hiernaartoe gegaan ... !
Hij keerde zich vastbesloten om, hij ging naar zijn oom toe. Hij zag wit om den neus, maar hij keek hem regel-recht in 't gezicht.
״Oom,” zei hij, ״ik kan niet met plezier s t u d e e r e n, als mijn zusje niet ook studeert. Ze kan het net zoo goed, ze is niet minder dan ik.”
Oom knipperde met zijn oogen. Er kwam iets anders in zijn denken. De jongen kon niet met plezier studeeren! Wat? Hij vergalde dien jongen zijn studie? Het was zijn schuld dat zoo’n jongen, zoo’n knappe, flinke jongen, niet met plezier werken kon? En waarom? Omdat zijn zusje óók studeeren wou. Kijk eens aan, mocht dat kind niet studeeren? Omdat hij, Gijs, nu met zijn stommen kop niet bij de leerderij kon, mocht een ander het daarom niet? Als ze er toch de hersens voor had! Moest hij er niet trotsch op zijn, op de kinderen van zijn zuster? En dan: kon men er één in de hoogte helpen, en de rest van de
In de Gouden Klok. 13