190 IN DE GOUDEN KLOK.
een vroolijke stemming in huis hebben. En iedereen werd erdoor aangestoken. Vader lachte en herinnerde zich zijn jonge jaren; hij had juist altijd zulke dingen gespeeld, niet zulke groote, ernstige stukken als Marix, en hij wil-de de viool weer eens in handen hebben. Hij speelde een walsje, en ook zongen ze nog, mooi, met tweede en derde stem.
Maar de volgende dagen bleef het als een donkere wolk over Marix hangen. Hij kon de gedachte, aan wat hij gemerkt had, niet kwijtraken.
En op een middag, — Santje dacht alweer aan andere dingen, ze had zich alweer geschikt in haar leven, — kwam Marix bij Vader binnen.
״Kan ik u even spreken?" vroeg hij.
״Kun je niet over een uurtje terugkomen?" vroeg Vader. ״Ik moet een broche soldeeren, die vanavond gehaald wordt, en je weet hoe 'n opletten het is, met de soldeer-lamp.”
Dus kwam Marix na een uurtje terug.
״Is er iets op de H.B.S.?” vroeg Vader.
״Nee,” zei Marix voor zich heen. ״Het is niet over me-zelf, het is over Santje.”
״Santje!” zei Vader, en hij keerde zich om, en keek Marix aan. ״Wat kan er met Santje zijn?"
״Het gaat niet goed met haar."
״Hé?" zei Vader. ״Hé, ik dacht juist dat het tegenwoor-dig nogal ging. Ik ben laatst bij haar juffrouw geweest, en die was heel tevreden.”
״En toch gaat het niet goed met Santje."
Vader keek bezorgd voor zich uit. Wat was dat nu weer. Altijd had je wat met de kinderen, je viel van de eene zorg in de andere ...
״Zeg het maar,” zei hij, en Marix vertelde, en sprak heel lang met Vader.