188 IN DE GOUDEN KLOK.
den, alles weten, vooruitkomen in de wereld, en haar staarde de toekomst leeg aan ...
En voordat ze het wist, plekte er een traan op Perce-val Keene... Ze schoof het boek weg, het was Marix’ boek... En toen was het niet meer te houden, ze boog het hoofd over de handen, en huilde, huilde ... Ze huilde al haar droefenis uit over het grauwe, leege leven, al haar verlangen, haar honger naar iets anders...
En dat zul je altijd zien: juist als je geen ander bij je kunt hebben, als je alleen moet zijn, dan komt er iemand! Ineens werd de deur opengegooid en Marix, op zijn vlugge manier, trad binnen. Een ïn-bedroefd, verschrikt, behuild gezicht keek hem aan ...
״Wat heb je?" zei hij.
Maar Santje had zich al als een egeltje weer ingerold, ze kón niet hebben dat iemand het zag, ze trachtte haar gezicht te verbergen, dat verraderlijke, behuilde gezicht...
״Wat is er?” zei Marix.
״Niks!” zei Santje stug.
״Ben je ziek, scheelt er wat aan?"
״Nee.”
״Nou, je kan toch wel zeggen wat er is!” zei Marix 'n beetje scherp, want hij kon niet goed hebben dat zijn
zusjes huilden, het maakte hem altijd wrevelig; hij had nu eenmaal het gevoel, alsof het zijn schuld was, alsof hij moest zorgen, dat zijn zusjes niet hoefden te huilen. En dan Santje, die bijna nooit huilde: er moest wel iets heel ergs zijn... Hij voelde zich onhandig; hij was niet erg
liefkoozerig uitgevallen, en wou toch zoo graag helpen, troosten...
״Wat is het? Toe...”
״Heelemaal niks!” klonk het gesmoord. ״Ga maar weg ...!"
״Hoe kan ik dat nou! Zeg het dan toch ...!”