MARIX REDT DE SITUATIE. 187
Lennep, die Bloemlezing vol gedichten en de fijnste proza-stukken, en nog zooveel meer!
Om Perceval Keene gaf zij niet zoo erg, hoewel zij an-ders ook graag een jongensboek las. Maar dit soort, met al die zeegevechten en muiterij en schieterij, was nu juist niet haar lievelingslectuur.
Toch deed zij het graag voor Marix, zij had plezier in schrijven en voelde zich vereerd met zijn opdracht. En zij zat voor haar boek, vol goeden wil om die ten uitvoer te brengen.
Maar als het zoo stil is, dan is het net of je niet voort kunt. Dan is het net of je eigen gedachten met je spreken willen. Zoolang je nog maar in beweging bent en veel dingen doen moet, gaat het nog wel, maar als het zoo stil wordt, dan is het of je leven bij je komt staan, en of het
je wat vraagt: hoe heb je het tegenwoordig, hoe sta je er-
mee, ben je gelukkig ... ?
En alles zag zoo grauw. Buiten regende het. Iedereen was weg...
Santje staarde stil op Perceval Keene. Ze probeerde alleen maar daaraan te denken, aan Marix, die op haar werk wachtte. Ze deed nu zoo dikwijls zulk werk; van-
avond zou zij Nannie helpen aan haar opstel, — o, ze
schreef zoo graag zelf een opstel, maar niemand vroeg haar ernaar, niemand had het noodig, zij mocht alleen maar de anderen helpen, en Nannie zou knap worden, veel meer leeren dan zij; nu kon ze haar nog helpen, maar later... Zij voelde zich een Asschepoester, een uitge-slotene. Ze zou nooit iets voor zichzelf hebben, ze zou achterblijven, ze zou niets worden... Het is met leeren, met ontwikkeling, beschaving, zoo moeilijk. Als je er iets van gehad hebt, dan is het of je er hoe langer hoe meer van wilt hebben. Je krijgt er honger naar. En zij had niets, niets voor zichzelf... De anderen zouden knap wor