186 IN DE GOUDEN KLOK.
willen vullen ... Ze dacht er liever niet aan, en het is hard voor een jong mensch, als je niet met hoop en verwach-ting aan de toekomst kunt denken. Want dat is toch het eenige waar je gedachten naar uitgaan...
En doordat de toekomst zoo grauw en vaal was gewor-den, leek het heele leven wel vergrauwd en versomberd. De lucht was grauw en de huizen waren grauw, en ook van binnen was het grauw in je. Het was of dat lichte, blije voorgoed weg was, of die oogenblikken van heerlijk, overstroomend geluk, die ze vroeger toch zoo vaak ge-kend had, nooit meer wilden komen, of zij iets verloren had, het liefste. Nu had zij toch bereikt, wat zij wilde: ze was flinker en verstandiger geworden, en meer plichts-getrouw, ze stond nu alle morgen op tijd op en hoefde er dus nooit meer om te jokken, ze droomde maar zelden en bepaalde haar gedachten tot haar werk, ze was niet meer geminacht en toch... soms dacht zij dat zij toch maar liever het oude Santje gebleven was, het oude, dwaze Santje, dat zoo diep in den put had gezeten, en zulke verkeerde, domme dingen gedaan... maar dat toch ook soms zoo grenzenloos gelukkig, zoo blij, zoo juichend was geweest...!
... En het was dien middag heel stil in huis, toen ze daar in het voorkamertje alleen zat, met het boek voor zich. Vader was uitgegaan, ze had weer haar oude werkje te doen: een overzichtje maken van een boek, dat Marix moest kennen, maar waar hij geen tijd voor had om het te lezen. Het was dezen keer ״Perceval Keene".
Wat had zij al genoten door de boeken van Marix! Hijzelf gaf er niet zooveel om, hij stelde belang in andere dingen, maar zij, wat had zij ze verslonden, in haar aan boeken zoo arme wereldje, die Camera Obscura, tot zij ze haast van buiten kende, die mooie verhalen van Van