MARIX REDT DE SITUATIE. 185
der dat zij ook maar iets had gezien. Ze had dan ge-heel in haar droomen geleefd... Maar ze wist heel goed dat je zijn moest zooals Clara Nerdes, om een echt, dege-lijk vakmensch te worden.
En de meisjes hadden het over mooie kleuren, over 'n prachtige stof, en Santje dacht: waarom is de eene kleur mooier dan de andere? Alle kleuren zijn mooi, als je er maar een andere kleur bij hebt die er goed bij afsteekt. Maar zij had zoo'n heel ander idee van mooi. Het leek wel of ״mooi” tot een heel andere wereld behoorde, een heerlijke sprookjeswereld...
Toch had zij ook wel mooie dingen op den naaiwinkel gezien. Dat was eens, toen er een uitzet gemaakt werd, voor een dame die naar Indië ging. Die japonnen waren zoo fijn en teer, één was erbij van zacht-lila crêpe-stof, en er was een groote ״berthe”, dat is een breede kanten kraag op. Maar je kreeg het nauwelijks in handen, juf-frouw Mina had zelf de ״berthe” erop gezet en juffrouw Emmy er 't meeste werk aan gedaan, omdat het zulk teer goed was en 't vooral frisch moest blijven en niet smoeze-lig worden van de vele handen. Santje had het al prettig gevonden, om de stof maar aan te raken, en het speet haar, — hoewel zij toch trotsch was op dit werk van hun atelier, — toen de japonnen eindelijk de deur uit gingen, met wat parfum bestrooid, en in fijn vloeipapier gewik-keld. In gedachten ging zij met ze mee, op de boot, en ze wou maar dat de dame die ze droeg, heel mooi was.
Maar meestal was alles leelijk en saai, de japonlijfjes stonden stijf van de baleinen, en de somberkleurige rok-ken stonken naar merinos, en er was geen prettige ge-dachte in het werk, je kon er niet blij mee zijn dat je dit in de toekomst moest doen. Leeg, leeg, vaal en grauw was de toekomst, die heerlijke toekomst, die Santje met zoo-veel schoone beelden en belangrijke gebeurtenissen had