ALS JE MAAR EEN DOEL HEBT! 183
voor, en ook mijnheer Van der Velden, voor wat ze haar hadden meegegeven, en ze voelde zich opgenomen in den kring van de meisjes, het was of zij zich nu pas ontplooien kon: juist met de beste, fijnste meisjes werd zij vertrouwd, het was of zij elkander ontdekten. Sommigen lazen de krant, net als Santje (die nu eenmaal niet voor niets den naam van ״Dolle Lees" droeg), en enkelen gingen ook vaak naar het Concertgebouw. En over boeken spraken zij, over alle mogelijke dingen, ook over muziek. Heerlijke gesprekken waren dat, en het gaf niet of de juffrouw het verbood, en zei dat ze stil moesten doornaaien: ze konden het niet laten!
Op dien leeftijd is het net of er iets van binnen in je opengaat, je wil je eigen meening vormen over alle moge-lijke dingen, je wil hooren, wat anderen van jouw leeftijd, over die dingen denken. Het is dan net of je samen, met z’n allen, groeit...
En ook de juffrouw was vriendelijker geworden, zij sprak met haar, onderweg, als zij samen uit passen gingen, waarbij Santje de spelden aan moest geven. Dan achtte de juffrouw zich niet te hoog om naast het meisje-met-de-doos te loopen, (hoewel iedere andere naaister het loop-meisje op 'n eindje afstand achter zich liet gaan), en haar allerlei dingen van haar werk, en van haar leven te ver-tellen. En Santje genoot daar zoo van, omdat de juffrouw ook een beschaafde vrouw was, met wie je altijd prettig praten kon. Maar vooral was zij er blij mee, omdat de juf-frouw toch eigenlijk in haar hart zoo lief was, en het leek alsof zij op die wandelingen veel vertrouwelijker met haar werd.
Zoo was de ergste tijd nu wel voor Santje voorbij. Het ging nu alles wel goed, wel heel goed...
En toch... toch ... waarom kon Santje niet gelukkig zijn? Nu had ze toch al zooveel bereikt. Maar waarom