182 IN DE GOUDEN KLOK.
Ook met de boodschappen ging het nu wel. Je kunt wel alles leeren, boodschappen doen ook, als je maar wilt. Santje begreep nu wel hoe de juffrouw het bedoelde, en zij maakte niet zooveel domme vergissingen meer.
Zoo was het leven op den naaiwinkel nu wel heel an-ders geworden. Ook met de meisjes. Want op elke werk-plaats is het zoo, dat men achting heeft voor dengeen, die zijn werk goed verricht. Eerst had Santje zich in alles de mindere gevoeld. Zij was immers maar het loopmeisje, ze was arm, ze was dom en suf en slecht gekleed. Ze be-merkte hoe men neerzag op Betje, het andere loopmeisje, hoe men die heimelijk uitlachte, hoe men haar kleeren vies vond, haar spraak nadeed; en het was haar onduld-baar, dat zij ook zulk een nederige rol moest vervullen, dat zij tot de minste, de verachtelijkste behooren zou. Geluk-kig merkte het domme Betje van die onvriendelijke uitin-gen niets, maar zij, Santje, merkte het zooveel te meer, al waren ze niet tegen haar gericht, en ze voelde het als zoovele speldeprikken. Juist als je een nederig plaatsje in de wereld inneemt, voel je zulke dingen het meest. Zij, die wat hooger gesteld zijn, kunnen dat niet begrijpen.
Maar hoe was dit alles nu anders geworden! En waar-door? Het leek Santje of alles vanzelf zoo veranderd was. En toch .,. neen, ze wist wel, dat het niet vanzelf kwam. Natuurlijk, je kunt wel 'n klein beetje je best doen, maar daar kwam het toch niet alleen van. Ze wist waar het van kwam. Van haar thuis. Eindelijk had men dan toch bemerkt dat zij, al was ze dan ook arm en al hadden de andere meisjes betere, duurdere scholen bezocht, toch ook uit een knap, beschaafd gezin kwam en men niet op haar neer hoefde te zien. En dan de school waar zij op gegaan was. Ze had er toch wel heel wat geleerd, en langzamer-hand merkte zij toch wel hoe prettig dat was. O, ze was er haar vader en moeder, en ook Marix, zoo dankbaar