180 IN DE GOUDEN KLOK.
voor haar werk, laschte eens 'n grapje in, als 't zoo te pas kwam, over Nannie's voornemens. De heele klas wist het nu. En Nannie was er weer een belangwekkend per-soontje door geworden. De meisjes zochten haar gezel-schap weer, Cor Kuiper kwam 'n beetje op den achter-grond. Tenslotte hadden zij toch allemaal wel gemerkt, wat 'n verwaand nest die heele Cor Kuiper was, met haar leeren stoelen en haar opgetrokken neus.
En het leek net of er iets anders in de lucht was. Iedereen begon er nu over te denken, wat zij worden moest. Het leek al haast een voorbije tijd, die heerlijke schooltijd (want ze wisten nu toch wel, dat het een heer-lijk, onbezorgd leventje was geweest!); nog maar kort zouden zij op de schoolbanken zitten.
En ook in de straat werd het anders. Ook daar brak het groote leven door, er kwamen nieuwe gedachten, en Nannie merkte dat zij niet alleen stond, in haar verlangen om wat te worden, dat het heel gewoon was. Allemaal hadden zij hun plan: Willy zou bij 't hoedenmaken gaan; Marie kwam in de zaak en de huishouding, omdat tante Sientje al wat oud werd, en te rheumatiekig voor ’t kan-toortje; en Neeltje, wel, Neeltje, die zou nu werkelijk dienstbode worden. ״Mijn kind moet onder de menschen", zei de timmermansvrouw, ״daar wordt ze flink van, 't is een gezond vak, en als ze later zelf een huishouding heeft, moet ze haar handen kunnen roeren.” En daar had de tim-mermansvrouw wel gelijk in.
Hoe onbelangrijk leken hun nu hun oude spelletjes, al konden zij 't spelen toch niet heelemaal laten; maar meest-al liepen zij, met hun viertjes of twee aan twee, innig ge-armd, en zij hadden zóóveel te bespreken...!
Wat was Nannie's leven door dit alles veranderd! Zij was nu niet meer dat huilerige kind, ontevreden en dren-serig... Neen, er was iets zonnigs in haar gekomen, zij