178 IN DE GOUDEN KLOK.
ze stuk voor stuk na. Soms was het verdrietig voor hem: dan zag het werk er zoo slordig uit, en wemelde van de fouten. Waarom heeft dat kind niet beter zijn best ge-daan, dacht hij dan: ik heb het toch zóó goed uitgelegd! Maar er waren gelukkig ook betere.
Ineens kreeg hij er een in de hand, dat er al bizonder goed uitzag. Het stukje was zoo keurig geschreven, het was een plezier om naar de bladzij te kijken, en je zag al onmiddellijk, dat er weinig of geen fouten in stonden.
״Wel, wel, wel,” zei meneer Van der Velden, zijn bril vaster op zijn neus zettende. ״Van wie is dat mooie werk?” En kijk, toen hij den naam opzocht, bleek het van die kleine Nannie te zijn!
Ze kan het dan toch wel, zei hij tot zichzelf, ze heeft blijkbaar haar best gedaan. Hij ging zoo eens bladeren in haar schrift, en het viel hem op, dat het juist in den laat-sten tijd zoo heel veel beter werd, Hij hm-de eens, en dacht na. Toen stond hij op, en haalde een rekenschrift uit de kast, ״Hm!” zei hij weer. Het was merkwaardig: ook daar die verbetering, zoowat van denzelfden tijd af , .. !
's Middags lette hij eens op Nannie. Ze keek met roeren-den ijver naar hem op, en hij merkte dat zij zich niet door de meisjes in het leeren liet storen. Nu herinnerde hij zich ook wel, dat hij den laatsten tijd zoo weinig last met haar gehad had.
Om vier uur zei hij: ״Kom jij eens even bij me, voor-dat je weggaat!”
O, wee, dacht Nannie, daar zal je 't hebben! Wie weet wat voor fouten ik gemaakt heb! Het geeft ook niet of je je best doet...
״Hoe gaat het met jou in den laatsten tijd?” vroeg meneer, toen ze met muts en mantel aan bij hem stond.
״Gewoon, meneer!” zei ze, met neergeslagen oogen.
״Zoo. Gewoon. Juist. Ik heb namelijk gemerkt...”