ALS JE MAAR EEN DOEL HEBT! 177
Ze begon opnieuw, en nu heel langzaam, en elk cijfertje rekende zij wel 'n paar keer over, met een kladje erbij. Ze zette nu de cijfers ook keurig netjes onder elkaar, precies goed, de tientallen onder de tientallen, en zoo ver-der. En het was vreemd, ze kon het haast niet gelooven, maar ze zag het toch voor haar oogen: de som kwam uit, zonder de minste moeite!
״Ik heb 'm!” zei ze verbaasd tot Marix, en toen ging ze aan de andere sommen, en 't was 'n wonder: ook die kwamen uit
״Zie je wel!" zei Marix.
״Maar deze sommen zijn zeker heel gemakkelijk,” zei Nannie. ״Gemakkelijker dan die op school,”
״Welneen,” zei Marix, ״dat hoeft niet. Je begrijpt wel, zulke sommen zijn er op gemaakt om uit te komen, dus als je maar precies werkt dan moet 't wel lukken, Heusch, als je maar goed kan optellen en aftrekken, en als je de tafels van vermenigvuldiging goed in je hoofd hebt, dan kan je rekenen,”
De tafels van vermenigvuldiging! Toen Nannie dien avond naar bed ging, herhaalde zij ze nogeens in gedach-ten. Ze was er wel heel wat van vergeten, maar met 'n beetje moeite kon zij ze toch weer ophalen.
Voor de sommen op school zat zij nu heel anders. Als ik er maar één goed heb, dacht ze; die andere kunnen me dan niet schelen. En het resultaat was, dat zij er, met haar kalmer werken, minstens zooveel afkreeg als vroeger, en veel beter. Maar de meisjes om haar heen, die babbelen wilden, vonden het niet zoo prettig; die kregen een grauw, en als ze lastig werden, nog 'n stomp met den elleboog toe, ״Laat me met rust!" zei Nannie,
Op een keer was meneer, in een vrij half-uurtje, na twaalven, de taalschriften aan 't corrigeeren. Hij legde alle schriften open, met de laatste oefening boven, en ging
In de Gouden Klok. 12