176 IN DE GOUDEN KLOK.
met hoe 'n hooge kleur zij aan haar dictée zat te werken, en hoe gespannen zij de fouten naging.
Met haar sommen duurde het langer. Het leek in 't begin of zij eer slechter werden, dan beter. Zij wist niet, dat het kwam doordat zij ze nu zoo graag allemaal af wilde hebben.
Op een keer zei ze tegen Marix: ״Wil je me eens een som opgeven, zoo’n lange, met een staart?"
״Waarom,” vroeg Marix, ״hou je daar dan zoo van?”
״O nee, ik vind ze akelig, maar ik kan nooit een nul eruit krijgen, als het een som is die op moet gaan!"
Marix gaf haar sommen op, en kwam na een poos eens kijken.
״O nee," zei Nannie, ״je mag ze nog niet zien, het komt niet uit!”
Na een poosje kwam hij weer. Ze zat, met het puntje van haar tong uit den mond, te cijferen, maar toen zag hij eens hoe zij werkte. Het was 'n geknoei en 'n ge-haast...
״Zoo moet je niet werken,” zei hij. ״Geen wonder dat je er nooit nul uit krijgt. Je werkt veel te slordig en te haastig. Als je één verkeerd cijfertje zet, of op de ver-keerde plaats, is je heele som bedorven. Dan kan er geen nul uitkomen.”
Hij rekende eens met haar, en betrapte haar telkens op fouten van op- en aftrekken.
״Ik hoef je niet verder te helpen,” zei hij. ״Je kan het best zelf. Je moet alleen maar leeren precies werken.”
Dat was 'n heel nieuw idee voor Nannie. Zóó had ze een som nog nooit bekeken. Zij had zich altijd gehaast, om ze maar gauw klaar te krijgen. Als ze begon aan een som, was zij toch al overtuigd, dat die niet uit zou komen. En dan ging ze maar gauw aan de volgende. En nu zei Marix dat zij het best kon? Het leek haar onmogelijk.