HOE ER RAAD GESCHAFT WORDT. 167
want het was toch echt hun eigen strijdje geweest, niemand anders had ermee te maken, het was hun wereldje en daarin mochten zij zooveel kibbelen als zij wilden. Maar terwijl zij nog zoo onnoozel bezig waren, had het groote leven al buiten staan te wachten.
De dikke tranen welden naar Nannie's oogen, het leek alles ineens zoo donker geworden om haar heen...
Zoo liepen zij stil voort, ieder in hun eigen gedachten verdiept. Maar eindelijk hoorde Marix iets.
״Zeg me dan maar wat ik worden moet,״ zei ze met doffe stem.
Marix lachte. ״Dat moet je zelf weten,” zei hij. ״Is er niets, dat je graag worden zou?”
Nannie keek bedroefd op. Neen, ze wist niets, hoe ze ook dacht. Niets wou haar invallen.
Zoo liepen ze, zwijgend, langs de rustige gracht, waar het zonnetje vriendelijk door de boomen scheen. Aan een deur stond een dienstmeisje het belletje te poetsen. Ze had den mooien, groen-met-koperen wateremmer bij zich. Nan-nie had best de stoep voor haar willen doen, dat die mooi zindelijk zag, en de brievenbus een beurtje geven. Door de geopende deur zag je de marmeren gang in, die aan 't eind door deuren van gekleurd glas afgesloten werd. Daar was zeker ook de keuken, met een tafel met een frisch kleedje erop in 't midden, heldere, lichte tegels aan de muren en blinkende pannen op de plank. De aardappeltjes stonden zeker al geschild klaar, straks zou het meisje den emmer leegen en wegbergen in een kast buiten, en dan zou zij het licht opsteken en lekker gaan koken. En op Zaterdagavond ging zij vast wel boodschappen doen, in een schoone japon met wit schort, het heldere tulen mutsje op, de hengselmand aan den arm, en het zou een plezier zijn, naar haar te zien. Hoe begeerlijk leek haar zulk een bestaan!