164 IN DE GOUDEN KLOK.
Op een middag moest Marix voor Vader een boodschap doen in de stad.
״Heb je zin om mee te gaan?” zei hij tot Nannie; en Nannie was zoo verbaasd, en zoo vereerd met het ver-zoek, — want gewoonlijk ging Marix liever met vriendjes uit, — dat ze dadelijk zei: ״ja, graag!"
Ze keek haastig naar haar schoenen, of die wel mooi glommen, strikte haar lint nogeens netjes in 't haar, en daar gingen ze, met z’n tweetjes.
Zij spraken niet veel, want men was in dat gezin niet gewend om veel te praten, maar op een van de grachten gekomen, nam Marix zijn oude taak weer op, en deed net zooals zijn vader altijd deed, die zijn kinderen omtrent alles inlichtte, wat ze zoo op den weg tegenkwamen. Hij wees Nannie op de prachtige huizen.
״Zie je die mooie glazen ruiten wel?” zei hij. Het waren oude, paars-rose ruiten, zooals je ze in de oude huizen op de grachten nog wel vindt, en Marix vertelde haar uit welken tijd die misschen wel waren.
״En wat 'n mooie gordijnen zijn erachter!” zei Nan. ״Daar wonen zeker erg rijke menschen.”
״Ik denk het wel,” zei Marix.
״Zouden wij ook nog weleens zoo rijk worden?” vroeg Nan.
״Zóó rijk wel niet!" lachte Marix.
״Nu ja, dat hoeft dan ook niet,” zei Nannie. ״Als we maar leeren stoelen hadden, en... en zeil op den grond, en zoo .. .״
Daar had Marix haar juist waar hij haar hebben wou!
> ״Dan moet je maar zorgen dat we die krijgen!” zei hij.
Nannie keek hem met open mond aan. ״ ... Ik ... moet i k daarvoor zorgen ... ?” zei ze.
״Ja, waarom niet? Je kan toch zeker later geld ver-dienen?”
״Ik...” zei ze, ״ i k kan toch geen geld verdienen ... !