ZAND TUSSCHEN DE RADEREN. 161
Dat was de eerste huilbui, waarmee Nannie het nieuwe school- en huisjaar inwijdde, en die werd nog door menige andere gevolgd, want de tranen kwamen nu gemakkelijk, het werd een gewoonte, men wist al niet beter: o, Nannie huilt weer ...!
Toch zou Nannie op den duur wel weer gewend zijn aan alles, haar vroolijke, zorgelooze aard zou wel over-wonnen hebben, als er niet iets was bijgekomen, dat een verderfelijken invloed had. Er was een nieuw kind op school, een meisje uit Den Haag, Cor Kuiper heette zij, ofschoon Vader, die het eenmaal verkeerd verstaan had, hardnekkig ״Ka Kuiper" bleef zeggen. Dit nieuwe licht aan hun schoolhemel maakte, misschien juist ״omdat ze zooveel drukte op haar lijf had", een diepen indruk op de meisjes, en speciaal met Nannie had zij vriendschap ge-sloten, misschien wel om Nannie's mooie, donkerblauwe jurk, (die zij thans voor daagsch mocht dragen) maar toch zeker ook omdat Nannie nu eenmaal een aardig kind was.
Nannie kwam aldoor met verhalen over Cor Kuiper thuis, en eens had zij haar mee naar huis genomen om haar in glorie te vertoonen en met haar te spelen. Maar Cor Kuiper had haar neus 'n beetje opgetrokken en eens rondgekeken in de eenvoudige woning. ״Dit is zeker maar de huiskamer,” had zij gezegd. Toen had Nannie haar meegenomen naar 't voorkamertje om haar vol trots alle klokken te vertoonen, maar de klokken hadden niet veel indruk op Cor Kuiper gemaakt, en het kleine meisje durf-de nauwelijks haar speelgoed, het winkeltje en de oude poppenwagen met de lappenpop voor den dag halen; het was of ze ineens zag hoe armelijk en oud alles was. Bovendien speelde de bezoekster niet meer met zulke dingen, ofschoon ze even oud was als Nannie.
Na dien tijd leek het wel of Cor Kuiper haar niet meer zien wou. Ze hoorde zoo achter zich om de meisjes praten
In de Gouden Klok. 11