WAT DE ZEE EN DE ZON DEDEN. 153
Santje dat eens had gezien! Ze kwam zichzelf als een prinsesje voor ...
En tante was zeker wel heel rijk, ze moest wel rijk wezen, want er was eiken dag maar vleesch of visch op tafel. De boterpot raakte nooit leeg; Nannie dacht aan het halve onsje boter, dat zij bij de petroleumvrouw moest halen, en dat uitgeschraapt werd tot er geen kat meer wat van 't papier kon likken; omdat de boter zoo duur was. Maar hier leek er wel altijd genoeg boter te zijn. En er waren twee soorten kaas in de kaasstolp en de boer kwam al nieuwe brengen, nog vóór die op was. Ook had tante eens een echte taart gemaakt, een appeltaart, en toen had Nannie wel even stilletjes gezucht. O, konden Santje en Marix daar toch maar even van proeven...!
Maar 't heerlijkste van alles was toch, dat tante zoo lief was, dat je je heelemaal veilig bij haar voelde, dat ze je wenschen raadde en je zoo heelemaal begreep. Daar-door kreeg Nannie ook nooit heimwee, want al was alles nog zoo vreemd, zoolang je maar dicht bij tante bleef was het toch net als thuis.
Voor Oom Klaas was Nannie in 't eerst wel 'n beetje bang geweest, want hij had een ringbaard, en dat was zij niet gewend. Maar hij bleek 'n heel grappige man te zijn, en goedig ook, als je hem maar eenmaal verstond.
״Ben je al in de bikeukene geweest?" vroeg hij. Dat was de bijkeuken, en daar mocht zij altijd plassen, ’n poppenwasch doen, en kijken naar Everdien, die de in-maak verzorgde. Je kreeg er weleens 'n worteltje of een appel, er viel altijd wat af.
Maar de zee, de zee .., dat was toch de groote heer-lijkheid! Altijd ging je er maar weer naartoe! In 't eerst had zij de vingers goed in de zon gehouden, omdat de zon ze toch bruin moest maken, maar langzamerhand had zij het vergeten... En het leek wel of je alles vergat, of