152 IN DE GOUDEN KLOK.
En meteen kwam tante al met een groot glas vol gele, dikke melk aan! Daaraan kon je merken hoe goed tante was. Nannie had wel heel dicht bij haar willen kruipen.
De melk was zoo lekker! Nannie dacht aan de twee centen blauw vocht, die ze thuis zoo vaak aan den over-kant had moeten halen!
״Hebt u zelf een koe?” vroeg ze eerbiedig.
Everdien lachte. ״Dat nu juist niet!" zei ze. Daarop nam ze haar mee naar haar kamertje.
״Hoe moet ik maken, dat m’n vingers bruin en dik wor-den?” vroeg Nannie.
״Dat zullen de zee en de zon wel voor je doen!” zei Everdien.
״Gaan we gauw naar zee toe?” vroeg Nan.
״Eiken dag. Wou je de zee graag zien?”
״O, zoo graag ... !”
״Kijk dan maar," zei Everdien, en ze deed het raam open. En daar lag de zee, grauw en blauw en golvend en geweldig, wijd en ver en met witte schuimkoppen, en heel in de verte voeren scheepjes ... Wat 'n machtig gezicht was dat plotseling voor Nannie; ze werd er stil van.
״Wat is־ie groot...!” zei ze na een poosje. En zou ze daar nu eiken dag naartoe gaan ? En misschien wel schel-pen zoeken?
Langzamerhand wende zij aan haar nieuwe leventje, maar o, zij had eiken dag nog zooveel reden om zich te verwonderen!
Wat was alles anders dan thuis! Alleen maar haar eigen kamertje al, dat zij hier had! Een kamertje voor haar alleen! Je raakte er niet uitgekeken! Er stond een wasch-tafel, met een groot, geurig stuk zeep, en een handdoek, te mooi haast om te gebruiken. Er waren platen aan den muur, en zulk mooi behang. Het bed was weelderig, met prachtige lakens, en dekens die wel nieuw leken. Als