WAT DE ZEE EN DE ZON DEDEN. 151
den heelen dag. De menschen op de boot spraken met haar, en ze ging naar de machines kijken en in de kajuit. En dan kwam je weer boven, en het was net of de boot een spelletje speelde; telkens werd er weer gebeld, en dan werd er gestopt aan een nieuwe plaats. En je zag maar koeien en weiden en boeren en boerenvrouwen.
Eindelijk was Nannie de stad al bijna vergeten; het leek wel of de wereld uit weiden en slooten en huisjes en torentjes bestond. Maar toen veranderde alles, want ze kwamen aan de kleine stad waar zij wezen moest.
En daar viel zij van de eene verwondering in de andere.
Ten eerste al de groote nicht met roode, hoogblozende wangen, die haar haalde. Was die vreemde juffrouw familie van haar? Net zooals Nettie? En moest ze maar dadelijk Everdien zeggen? Het leek ongeloofelijk.
Maar de grootste verwondering was tante Gerritje. Juist omdat die heelemaal niet vreemd was, en dat leek het wonderlijkste van alles. Het was of je Moeder zag en hoorde. Nannie had altijd gedacht, dat er maar één vrouw, zooals Moeder, op de wereld was, en nu was er nog eene. Als je je oogen dicht deed kon je denken, dat Moeder in de kamer was, of neen, juist als je je oogen opendeed; want haar loop, haar houding als ze aankwam, haar heele gestalte leek er zoo op. Tante was net zoo als Moeder, en toch anders. Maar het maakte dat Nannie zich dadelijk thuis voelde.
Toen Nannie binnenkwam keek tante haar eens goed aan en nam haar kleine handje in de hare.
״Die vingertjes bevallen me niet,” zei ze. Nannie dacht dat ze vuil waren en wou haar hand gauw wegtrekken, om ze eerst te gaan wasschen! Maar tante zei: ״Zie je 't zelf wel? Die zijn veel te dun, en te wit. Daar zit niet genoeg bloed in. Die moeten nu, als je weggaat, heelemaal bruin en dik zijn!”