150 IN DE GOUDEN KLOK.
heele heerlijke wijde wereld, en zij, ze bleef staan aan den kant...
Onverwacht kwam het over haar; een groote droefheid ... En het was geen verdriet omdat Nannie wegging, neen, ze wist het, het was heel wat anders. Zij, zij verlangde óók zoo te gaan, o, ze hongerde zoo naar die verten, die weiden, naar die heele wereld die nieuw en vreemd en aanlokkend daar lag... Ze gunde het Nannie zoo graag, maar zij, ze verlangde óók zoo de zee te zien en met de boot te reizen en in de vreemde stad aan te komen en daar alles te beleven... Ze had moeite om niet te huilen, toen ze zoo onherroepelijk aan den wal moest blijven staan, terwijl 'n ander wegvoer, om alles te genieten...
Het was heel leelijk, zoo te denken en te voelen, en ze stond daar, nog altijd met dien mist voor de oogen, terwijl de boot steeds verder wegvoer, naar de sluizen en het kanaal.
Haar moeder had altijd gezegd: je moet nooit blij zijn, als je zusje of broertje bedroefd is, en nooit bedroefd als zij blij zijn; en nu was het toch zoo, haar zusje had iets heerlijks, en zij, zij was bedroefd in plaats van blij...
Het werd 'n heel stille wandeling naar huis; maar Vader wist niet waarom Santje zoo stil was. Ze schaamde zich voor zichzelf. Ze had er dan geen verstand van of ze er goed of slecht uitzag, maar hoe ze van binnen was, dat wist ze wel. En het is niet altijd prettig, om te ontdekken, hoe je van binnen bent.
* *
*
Voor Nannie echter ging een wereld open. Op de boot zat ze in 't eerst maar stil te kijken naar al die weilan-den, waar ze doorvoer. Het duurde zooveel uren, haast