146 IN DE GOUDEN KLOK.
Maar nu scheen het wel of iedereen erover ging spreken. Bij de familie zeiden ze het ook al. ״Kind wat zie je pips!” zei Nettie misprijzend, met een pruimenmondje.
De eenige, die er maar geen idee van kon krijgen, was Nannie zelf. Ze keek al eens in den spiegel, maar begreep niet wat ze bedoelden,.. Hoe moest je er dan uitzien? Ze mat nauwkeurig met een centimeter haar armen en de armen van andere meisjes, waarbij ze het maatje bij zich-zelf wel wat ruim aanlegde, en bij de anderen wat strak toetrok. ״Ik ben nog dikker dan jij!” zei ze dan tri om-phantelijk.
Ook Santje kon het met den besten wil van de wereld maar niet zien, hoe zij ook keek. Ze had er geen verstand van, maar geloofde het graag, als iedereen het zei.
Op een avond sprak Marix haar erover aan.
״Nannie ziet er slecht uit,” zei hij.
״Ja,” zei ze, ״maar wat is er aan te doen?”
״Naar buiten gaan,” zei hij.
Santje keek hem verbaasd aan. Zou zooiets voor een van hen dan mogelijk wezen? Zou er in ernst aan gedacht kunnen worden?
״We hebben toch tante Gerritje!” zei hij.
't Was waar. Tante Gerritje woonde in een kleine stad, in Noord-Holland, aan de zee.
Marix was een man-van־de-daad. Toen Nannie naar bed was, bracht hij de zaak in den familiekring ter sprake.
Vader maakte bezwaren, ״Tante Gerritje, die nooit schrijft, die het zoo goed heeft in de wereld, en die wel te trotsch lijkt om zich met ons te bemoeien,,. Daar zouden we 't aan vragen?”
Maar Moeder had een vast gezegde, ״Als je niet spreekt, weet niemand wat je ontbreekt!” zei ze. ״Wij hebben ze nooit iets gevraagd. Maar trotsch is mijn zuster niet. Ze is alleen geen schrijfster, en haar man is heelemaal geen