WAARIN VEEL GOEDE DINGEN GEBEUREN. 145
om het goed te volbrengen; en het eenige dat haar daarbij hielp, was haar gevoel voor haar juffrouw, die goed en rechtvaardig was, die zoo dikwijls hoofdpijn had en die zij wel alle verdriet had willen uitsparen. En dan was er ook nog haar eigen eerzucht, dat brandende verlangen om de dingen goed te doen in de oogen van anderen, en dat onduldbare gevoel van vernedering, als je weer een fout had gemaakt die ze ontdekten.
Dat waren de dingen die haar voortjoegen, — en die haar deden leeren, de lessen die zij in deze omgeving, in dezen tijd van haar leven, te leeren had. Want het is heel moeilijk, als je nog moet leeren hoe je leven moet!
Maar thuis leek alles wel anders geworden! Sedert Ebels ziekte was er iets nieuws in de lucht, men sprak van dingen waar vroeger nooit over gedacht was. Iedereen had het over ״goed eruitzien”, of ״slecht eruitzien”, en over naar buiten gaan! Eerst was het met Nel en Ebel ge-weest, nu leek Nannie wel aan de beurt te zijn.
Het allereerst scheen meneer van der Velden het opge-merkt te hebben. Toen Vader eens in 't voorbijgaan bij hem aanging, aan school, om te hooren hoe zijn kind het daar maakte, had mijnheer van der Velden hem erover gesproken. ״Vindt u niet dat ze in den laatsten tijd wat schraal ziet?”
Bedrukt was Vader naar huis gegaan. Zag zijn kind er niet goed uit? Wat mankeerde er dan aan? 't Was waar, hij herinnerde zich dat Moeder er ook al met hem over gesproken had, en hij had het kind toen bezorgd gade-geslagen. Wat stond hem te wachten? Zou er, bij al het andere, nu ook nog ziekte in zijn huis komen, om hun moeilijkheden te vergrooten? Had hij niet goed genoeg voor zijn kind gezorgd?
Moeder had een heel werk, om hem wat op te monte-ren. ״'t Zal nog wel wat meevallen,” zei ze.
In de Gouden Klok. 10