144 IN DE GOUDEN KLOK.
Nel, al had ze ook haar best erop gedaan, geen schrijven meer gewend was. Ja, ze was dan ook niet zooals Santje, die altijd wat op te krabbelen had, die louter voor haar plezier schreef, al was het maar een versje dat zij hoog-noodig moest overnemen in haar album, om het ten eeuwige dage te kunnen bewaren! Neen, Nel had wel wat anders te doen in haar moeders winkel en huishouding, en daarom stonden de handen haar verkeerd als zij schrijven moest, en was haar briefje lang niet, wat Santje er zich van voorgesteld had.
Ze las het en las het, tot ze het van buiten kende, en ze zocht er steeds meer in, dan er in te vinden was. Zij had wel tusschen de regels in willen kijken, om te weten te komen hoe het er eigenlijk was, daar waar Nel logeer-de, hoe het eruitzag, hoe de boerderij, de natuur was, wat Nel 'n heelen dag deed... Ze had willen zien wat Nel zag, al haar nieuwe ondervindingen meemaken, ze had in Nels hersens willen zitten... Het briefje, het kwam uit een andere wereld, en het zei haar veel te weinig... Ze had nooit veel anders dan stadshuizen gezien, ze was nog nooit de stad uit geweest, nooit in spoor of boot, en zij hunkerde zoo naar die wereld. Niet om er te zijn, zij gunde het Nel zoo graag, maar als zij maar even om 'n hoekje had mogen kijken om er een indruk van te krijgen, om het te zien!
En omdat het niet kon, tooverde haar verbeelding haar alles voor, en zij dacht aan later, later, aan die geheim-zinnige toekomst, waarin zij al die dingen zou zien, de bosschen, de zee, de bergen... Later... het was of haar fantasie om dat briefje heenzweefde, en in haar gedachten werd alles zóó mooi, dat zij, na zoo'n uurtje in droomen-land, weer getroost aan haar dagelijksche werk kon gaan.. .
Haar dagelijksche werk ... het leek zoo saai, zoo onbe-langrijk en het was nog altijd een strijd en een worsteling,