DE SCHADUW VAN DEN DONKEREN VOGEL. 139
״Kan hij dan niet slapen?” vroeg Santje.
״Hij ijlt... O, wat moeten we beginnen ... !" En ze leun-de een oogenblik tegen Santje aan, alsof haar ellende haar te veel werd... De kinderen wisten dat zij 's nachts met haar moeder om beurten bij haar broertje gewaakt had.
Zij ging weer naar boven, Daar vond zij haar moeder, die Ebels handje in de hare had genomen. ״Mijn jongetje, mijn ventje,” zei de arme vrouw, ״zie je dan niet wie bij je is? Kijk eens naar je eigen moedertje, je kent je eigen moedertje toch wel?”
O, ze hongerde zoo naar één blik van herkenning uit die lieve oogen... Maar Ebel stootte haar hand boos van zich af, en ineens begon hij te zingen. Dat zingen van dat helle, hooge stemmetje van het doodzieke kind ging haar door het hart. Heet drupten haar tranen neer...
Nel sloeg de armen om haar moeder. ״Ga nou even lig-gen, toe, ik zit wel bij hem.”
״Goddank dat ik jou nog heb,” zei haar moeder. Buiten daalde de avond. De kinderen zaten daar, en wachtten. Santje nam haar oude taak weer op, en vertel-de sprookjes, als vroeger... Zoo kon ze de meisjes ten-minste 'n beetje bezighouden.
De sprookjes van Santje waren hen zoo welbekend, of-schoon zij toch steeds weer nieuw en anders waren. Er kwam altijd veel van kabouters en feeën en draken in voor, en dat is niet te verwonderen als men bedenkt, dat zij ze op hetzelfde oogenblik pas bedacht, als zij ze ver-telde! Dan kwamen haar helden, haar prinsen of prinses-sen of ganzenhoedsters soms voor zulke wonderlijke moei-lijkheden te staan, dat er wel een kabouter of een fee noodig was, om hen eruit te redden en alles tot een goed einde te brengen. Het zou nog ,n heele poos duren, eer Santje geleerd had, het in haar verhalen zonder kabouters of toovergodinnen te stellen, want dat is veel moeilijker.