134 IN DE GOUDEN KLOK.
nie, die toch ook uit zoo’n goed gezin kwam... Ver-beeldde hij het zich, of zag het kind er slecht uit? Zij had de zon waarlijk wel noodig ...
Mijnheer van der Velden had de klas nu al een heele poos; en het was een zwak van hem, dat hij altijd weer voor ״zijn kinderen” ging voelen. Juist daarom konden zij hem zoo'n verdriet doen, als zij onaardig of onwillig waren ...
Hij zag op de twee gebogen kopjes, dat blonde en dat donkere, neer... Zij hadden 'n beetje plezier willen heb-ben, wat zon, wat vreugde, iets moois zien.,. Anders pas-ten zij altijd goed op ... Hij had zin om hen tot zich te nemen, als een vader, ze over het hoofd te streelen, te troosten...
Maar waar zou het met zijn klas heen, als hij zoo zwak was? Hij begreep dat hij in dit geval streng moest zijn. Hij zette zijn bril op, hm-de, en schraapte ernstig zijn keel.
״Wel... wel... wel...” zei hij. ״Zoo ... zoo ... zoo ... 't Is fraai, hoor, 'k moet zeggen, 't is mooi. Jullie denkt dat de klas een duiventil is, waar je maar in en uitvliegt, naardat je zin hebt. Je begrijpt wel dat er straf op staat. Van jou valt het me heelemaal tegen, Nannie, je zusje zou dat nooit gedaan hebben...”
Dat was nu juist precies het ergste dat hij had kunnen zeggen! Altijd dat verschrikkelijke verwijzen naar haar zusje, die óók bij hem in de klas had gezeten en waar-door Nannie soms het gevoel had, dat ze geen goed bij hem kon doen! Het is heel naar om altijd met iemand vergeleken te worden, die nu eenmaal ouder, en daardoor knapper is dan jezelf! En zooals het meestal gaat in zoo’n geval, was meneer Santje's verkeerde eigenschappen glad vergeten en herinnerde hij zich alleen, dat zij goed had kunnen leeren ...
Bij Nannie opende zijn verwijt echter de sluizen der