EEN VERDRIETIG PLEZIER. 131
niet bij de kroes komen. Ze kwamen er met natte voeten vandaan.
En toen verlangden Nel en San te wandelen, ״de kin-deren" wilden ״stuivertje wisselen” bij de boomen, en Ebel wou bloemen plukken. Het werd een gekibbel.
״Hadden jullie dan niet meegegaan,” zeiden Nel en San. ״Was op school gebleven!"
Gelukkig kwamen de eerste versierde karretjes er aan. Het duurde nog wel 'n heele poos eer het eigenlijke spul begon, maar ze namen toch vast plaats in de rijen der wachtenden.
Helaas stonden zij er verre van rustig: telkens werden zij achteruit gejaagd door de verschrikkelijke politiepaar-den, wier breede achtereinden zoo reusachtig groot lijken als zij plotseling op je toe komen...
En ineens moest er ruim baan gemaakt worden: een ruiter, met vliegenden vederbos op het hoofd, kwam door-gehold. Juist waar zij stonden, moesten de rijtuigen rijden. Ze vluchtten haastig weg, terwijl de politiepaarden achter hen trappelden... 'n Heel eind verder kwamen zij pas tot staan. Ebel zag wit; het zweet stond hem op het voor-hoofd.
Maar eindelijk zagen zij den optocht dan toch voorbij-gaan. Het was wel heel prachtig, dat is waar; maar zij voelden zich toch niet gelukkig ... Ebel kreeg het ineens ook zoo koud, en niets wou goed gaan. Nu hadden zij het mooie gezien, maar wat heb je eraan als je je moe en kribbig voelt en... met een kwaad geweten rondloopt?
Het was een ellendige dag. Zij zochten het fonteintje op omdat Ebel dorst had, maar konden het niet meer terug-vinden. De zon scheen heet op hun hoofden...
Op een gegeven oogenblik, na veel zwerven, bevonden zij zich op een bruggetje, met een bos bloemen in de hand, die zij niet hadden mogen plukken, — want als je
9*