130 IN DE GOUDEN KLOK.
toen hij allen zoo vroolijk zag weggaan en hij alleen zou achterblijven, dat zijn moeder had gezegd: ״kom, neem 'm mee, 't zonnetje zal hem zoo goed doen, en 't kind heeft ook nooit wat!
En zoo gingen zij dan, met z'n vijven, de Stadhouders-kade af, waar het nog frisch was en de wereld zich vroolijk liet aanzien.
Het was een heel lange weg, vooral voor kleinen Ebel, en het duurde niet lang of hij werd ״trekkerig". Maar een zuurtje uit Nels tasch bracht er voorloopig den gang weer in. Ebel was echter net als een kleine machine: het oliën hielp maar voor een korte poos. De meisjes waren nog maar tot het Rijksmuseum genaderd, toen zij al merkten dat het een getob zou worden met den kleinen vent. Hij begon te zeuren en jengelde om te gaan zitten.
Zij stonden stil om zich te beraden. Hem terugbrengen, dat ging niet meer. Dus werd hij opvoedkundig toege-sproken. Ebeltje moest nu toonen, dat hij een groote jon-gen was; hij moest nu flink zijn en erg zijn best doen om mee te komen en niet lastig te zijn; dan zou hij later ook altijd mee mogen.
Maar zeg dat eens tegen 'n paar vermoeide beentjes! Ebeltje wilde heusch wel zijn best doen. Hij was er trotsch op dat hij mee mocht en de zuurtjes waren ook heel lek-ker. Maar vóór zij in het Vondelpark waren had hij toch zijn eerste tranen al gelaten.
De meisjes berustten er maar in. In ieder geval waren zij nu in het Vondelpark en je kon al zien aan het draven van de politie op de paarden, dat er iets bizonders op komst was. Ook waren er banken genoeg om op te zitten. Ebel mocht spelen met kiezelsteentjes.
Maar je kunt niet altijd blijven zitten. Bovendien had Ebel dorst, ze moesten het fonteintje gaan opzoeken.
Bij het fonteintje was het vol kinderen; je kon haast