128 IN DE GOUDEN KLOK.
Maar Nannie! Nannie's schoolvacantie was nog niet be-gonnen, ze zou er dus vrij voor moeten vragen. Vader en moeder voelden er niet veel voor, maar ze lieten het tenslotte aan den meester over. Als die vond dat het kon, hadden zij er geen bezwaar tegen.
En zoo stonden op een dag de beide kleine meisjes, Nannie en Willy, — want ze verlangden met z’n vieren te gaan, — met een verlegen gezicht voor meneer Van der Velden, Willy zelfs met 'n briefje gewapend.
Meneer van der Velden monsterde de twee ronde ge-zichtjes, deed zijn bril op, las het briefje en zei: hm ...! Daarop keek hij eens rond, om zijn gedachten te verzame-Ien, en schudde mismoedig het hoofd. Hij kon dit niet doen, hoe graag hij den kinderen dit plezier ook gunde. Als de heele klas eens om dergelijke dingen kwam? Alle kinderen wilden het misschien wel, en kon hij den een weigeren wat hij den anderen toestond?
Hij schraapte zijn keel en keek ze ernstig aan. ״Het zal niet gaan, meisjes, het zal niet gaan. Het spijt me wel, maar ik kan het niet toestaan. Jullie krijgt een heerlijke vacantie, en daarin moet je maar zoo veel mogelijk ge-nieten.״
Daar stonden de twee dan. Uit was het. Ze wisten niets meer te zeggen. Verslagen gingen zij naar huis. Het leek onmogelijk, dat ze niet zouden gaan. Ze hadden hun heele hart erop gezet. De dag van morgen kon toch niet voor-bijgaan, heel dit heerlijke bloemenfeest, zonder dat zij eraan hadden deelgenomen?
Toen zij dicht bij huis waren, begonnen zij pas te spreken.
״Ik ga toch!” zei Willy.
״Oh ...!” zei Nannie.
״En ik doe het lekker toch! Die akeligert! En ik mag het van me moeder!”