HOOFDSTUK IX.
Een verdrietig plezier. Hoe naar het was dat de school er nog stond. De schaduw van den donkeren vogel.
Ja, zóó als Santje kan men in het Vondelpark zijn, maar men kan er ook op een heel andere wijze zijn. Men kan er zijn, met een dreinend kind aan de hand, men kan er loopen, in de blakerende zon, vermoeid, dorstig, en wat het ergste is... met een kwaad geweten! En al zie je dan de mooiste dingen, al is het nog zoo heerlijk om je heen, het helpt je niet...
Moeder had er eigenlijk naartoe gewild. Toen het in de krant had gestaan, had ze gezegd: hè, wat zou ik daar graag heengaan, 'n Bloemencorso, zoo’n optocht van ver-sierde wagens, dat nogeens te zien ...!
Moeder had anders zoo weinig behoeften. Maar ze was vroeger weleens in 't buitenland geweest, en daar had ze zulke mooie dingen gezien. En als jong meisje was ze veel uitgegaan, naar operettes en tooneelstukken en concerten. En soms, soms kwam dat verlangen naar iets moois nog-eens boven, als er iets heel bizonders te doen was. Net of Moeder dan even opkeek uit den sleur en de zorgen van haar leven. Moeder zei altijd: ik heb een rijk leven; en ze begrepen dat nauwelijks: want ze waren toch zóó arm! Maar toch was het waar: want als je zoo’n heel