124 IN DE GOUDEN KLOK.
Wat 'n aardig meisje, dacht hij, en wat 'n aardige men-schen! Misschien komt ze weleens spelen. Als ik maar wist wanneer ze jarig was. Ik ,.. ik zal iets moois voor haar maken. Misschien wel een naaikistje... Het leven leek hem erg prettig.
Nu was er enkel nog maar ״Zwart-Witje". Zwart-Witje was 'n beetje achterlijk, maar toch een mooi beestje en hij had een zacht, aanhankelijk karakter. Wie zou hem nu eindelijk krijgen? Nannie wist er geen raad meer op.
Maar nu begon Santje er zich mee te bemoeien, die met verwondering gezien had, hoe die kleine Nannie van haar katjes wist af te komen. En zou zij, Santje, dan voor één poesje geen weg weten? De naaiwinkel was er immers ook nog?
Het viel niet mee om er een van de meisjes warm voor te maken, maar tenslotte liet Netje Bloembinder zich toch vinden; zij zou zich over den laatste ontfermen.
Op een dag kwam zij Zwart-Witje halen. Ze werd door Santje triomphantelijk binnengevoerd en Vader en Moeder en allemaal hadden zij schik dat zij nu eens ״zoo'n meisje van den naaiwinkel” zagen.
״’k Vind het echt, dat ik eens bij je ben geweest,” zei Netje Bloembinder later. ״Ik wist niet dat je zoo'n knap-pen broer had, mooie oogen heeft-ie, en wat is je vader 'n nette man en je moeder is ook zoo aardig, en je zusje ..."
Ja, wat had Netje dan wel gedacht? Wat voor raar idee had ze dan wel van Santjes familie gehad?
Maar de hoofdzaak was, dat alle vier de katjes nu een onderdak hadden, en daarmee was er een heel pak van Nannie's hart af. Ze had haar woord gehouden.
* *
*
Dezen keer had de heer Potsche met bizonder veel ge