NANNIE HEEFT ERNSTIGE ZORGEN. 121
petroleumvrouw, die altijd aan 't werken en wrijven en poetsen was .. -)
״Zoo, zoo..zuchtte de vrouw, ״’t Is aardig... Maar ik wil toch geen kat meer, en zeker niet van jou!”
Den volgenden keer had Nannie haar poesje bij zich. Zij zette hem op de toonbank. ״U mag 'm wel even zien,” zei ze.
De petroleumvrouw nam hem op. ״Wat 'n lekker beest!" zei ze.
״O, het is zoo’n dot!” zei Nan. Het poesje holde over de toonbank, rook eens naar een worst, die daarboven hing,
miauwde, vergat de worst weer, sprong naar Nannie toe,
en greep met zijn pootje naar haar krullen.
״Hij is veels te mager!” zei de petroleumvrouw af-keurend. ״Jullie moeten hem meer eten geven!”
״Nou, bij u zou hij het best hebben, met al die worst en kaas,” zei Nan. ״En je hebt er 'n heele gezelligheid aan.” ״Dat is waar,” zei de petroleumvrouw nadenkend. Ze kon niet eeuwig blijven treuren. Haar hart verlangde er-naar, om weer iets te hebben, dat ze zou kunnen ver-troetelen. Ze streelde het beestje. ״Ik zal er eens met je moeder over spreken,” zei ze. Want van Nannie zou ze het voor geen geld ter wereld hebben aangenomen. Die
had haar al te diep beleedigd.
Nu bleven er dus nog maar twee katjes over, nadat Zwartje naar de petroleumvrouw was verhuisd. Het vraag-stuk werd hoe langer hoe moeilijker, ze begonnen zoo te groeien, en Nannie wist niemand meer. De moeder van Nel en Wil, die niet van katten hield, maar ze niet kon missen in haar kruidenierszaak, had reeds een ouden, grimmigen kater, die werkelijk valsch was en soms met gescheurde ooren en de stukken uit zijn huid van zijn vechtpartijen thuiskwam. Ze was met geen stokken te be-wegen, om er nog een te nemen. ״Dank je wel," zei ze