HET HOKJE IN DE HERSENS. 119
״'k Moet toch eens opletten, in de kasten, of er weer muizen zijn," zei de timmermansvrouw nadenkend. Maar den volgenden dag ging het haar weer door 't hoofd, ze vergat ernaar te kijken.
's Middags kwam Neeltje. ״Moeder, ik weet 'n snoes van ’n jong katje, en zindelijk ook; als we muizen hebben, kan u er toch niet zonder, en ik zal er goed voor zorgen.”
’t Eind van 't lied was, dat Neel triomphantelijk een katje naar huis droeg.
Zoo was Nannie van één katje af.
Maar nu het tweede. Ja, Nan wist er wel een adres voor, maar dat was moeilijk, heel moeilijk ,..
Want Nannie had nog een vijand in de straat. Dat was de petroleumvrouw. Bij haar, en ook bij anderen, moest Nannie altijd boodschappen doen, en 'n paar malen was zij zóó slordig en onnadenkend met het geld geweest, dat zij, thuisgekomen, met geen mogelijkheid meer kon uit-rekenen, of het uitkwam. Moeder had gezegd: ״Je moet beter opletten, kind. Je moet precies weten, wat de din-gen kosten, die je haalt, en je geld moet goed uitkomen. Geld is wel waard dat men er goed op let. Je vader moet er veel te hard voor werken.”
En dat had Nannie goed ter harte genomen. Als zij nu weer bij de petroleumvrouw kwam, — want daar werd het meeste gehaald! — dan informeerde zij precies wat alles kostte en rekende haar nauwkeurig tot op een halven cent alles voor, en rustte niet voordat zij goed had nagegaan wat voor geld zij terugkreeg.
״Vertrouw je me soms niet?” zei de. petroleumvrouw nijdig.
״Me vader moet er veel te hard voor werken,” zei Nan. Maar 'n anderen keer had zij het nog veel erger ge-maakt. De petroleum was zoo gauw op geweest, het leek of men de lampen en stellen niet gauw genoeg kon bijvul-