HET HOKJE IN DE HERSENS. 117
en lachte en speelde ermee en had grooten schik.
Neeltje kon het niet langer uithouden. ״Geef mij 'm effe!" zei ze, en toen moest Nannie wel opkijken.
Maar ze klemde het beestje tegen zich aan. ״Niks hoor!” zei ze.
״Hè toe, effetjes maar!" smeekte Neeltje. ״Hebben jul-lie katjes?"
״Nou!” zei Nan. ״Wat 'n fijne! En hij is de liefste van allemaal, hè poesie? Hij moet het beste huis hebben van allemaal!"
״Zoo, en als wij 'm nou wilden hebben...!"
״Och toe kind...!”
״Dat kan toch best. Misschien wel me moeder nou wel 'n katje hebben!"
״Ja, je moeder! Maak mij wat wijs!”
״Nou en toch! Als ik het zeg, dan wil ze het wel, want we hebben geen kat!”
״Och kind, je praat maar wat, je moeder zal je zien aankomen!”
״Nou, wedden dat me moeder 't doet?”
״'k Mag geeneens wedden van me vader!"
״En ik weet 't vast en zeker, dat me moeder wel 'n katje wil hebben, als ik het vraag!” zei Neel, die hoog speelde, want ze was er volstrekt niet zoo zeker van.
״En misschien zouen jullie er geeneens goed, voor zijn!" zei Nan.
״O wat gemeen! Dénk je dat ik niet goed voor 'n katje zou zorgen? En bij ons is 'n kattebak, want me vader maakt ze zelf, enne .., enne ... hij kan spelen in de krul-Ien ... en ..."
״Kijk hij wil je bijten! Aai hem dan maar eens...!"
Het poesje was onweerstaanbaar. Het duurde niet lang of zij waren ijverig met hem aan 't spelen. De vijand-schap was vergeten.