114 IN DE GOUDEN KLOK.
poes had het ontdekt en ging mee met haar de straat op en sprong telkens, wanhopig miauwend, tegen haar schort
op * * I
Daar kwam Nannie er aan. ״Wat is dat?” zei ze ver-schrikt, ״waarom doet de poes zoo, wat heb je daar in je schort?”
״Ga jij nu maar naar huis, kind!” zei Jaantje wrevelig, doorloopend.
״Nee ik wil weten waar je naar toe gaat, en wat je in je schort hebt!” En daar hoorde Nannie het al, het piepen ...
״En het moet toch gebeuren,” zei Jaan. ״Ze hebben er geen weet van, en voor je moeder is het te lastig.”
Jaan wou doorloopen. De kat sprong als gek en miauw-de hartverscheurend.
״Ik ... nee ... ik ... Jaantje, doe het alsjeblieft niet!” zei Nannie. De poes sprong ook tegen haar op, of ze zeg-gen wou: help me toch!
Maar Jaan schoof het meisje opzij; met haar groote, stevige stappen ging zij recht naar den Amstel toe.
Toen begon Nannie te huilen. Ze liep Jaan achterna, en hield haar vast. ״Ik wil het niet, ik wil het niet!” riep ze. ״Het mag niet gebeuren, je mag het niet doen! M'n poesjes!"
״Ga toch weg!” zei Jaantje kwaad. ״Wil je wel dadelijk naar huis gaan, stoute meid.”
״Nee... nee... ik kan niet naar huis, je moet mee-gaan, de katjes moeten weer naar huis!" riep Nannie, ter-wijl ze zich aan Jaantje vastklemde, en huilde of haar hart zou breken.
En Nannie had een zeer hoorbaren huil. Er kwamen menschen op af, die het wonderlijk tooneeltje, de sprin-gende, miauwende kat, het stevige vrouwmensch, en het huilende kind gadesloegen; een slagersjongen informeerde belangstellend, wat er aan de hand was. In de verte schoof Frerik, de agent, al aan...