110 IN DE GOUDEN KLOK.
aan de bloemen. In de vijfde klas hadden zij een besten meester gehad, die zelf de bloemen ging plukken en ze meebracht op school, en toen zagen ze hoe mooi ook daar alles was ingericht. De kelkblaadjes dienden om de bloem te beschermen, en de mooigekleurde bloemblaadjes om de insecten te trekken, en meneer vertelde van de meel-draden en je zag het vruchtbeginsel, met de zaadjes, die keurig in 't rond lagen, het was zoo mooi om te zien en zoo mooi om te weten, je begreep niet hoe het allemaal zoo kwam, en je had er zoo graag heel veel meer van geweten, maar niemand sprak er ooit over, behalve dan die eene meester, die hun wat van de bloemen had ver-teld. Het leek wel of er niet over gesproken mocht wor-den, Santje dacht: het is net, of ik wel alles in mijn her-sens mag stoppen, maar dat eene hokje, dat moet ik leeg laten. En toch kwamen er zooveel vragen in haar op, maar ze wist niet naar wie ze zou gaan, om ze beant-woord te krijgen. Ja, er waren wel enkele meisjes op den naaiwinkel, die over dat alles spraken, maar dan op zoo’n rare manier, ze gichelden en deden geheimzinnig, net of ze het over iets heel leelijks hadden. Santje begreep wel dat ze bij die meisjes niet wezen moest voor een goed antwoord. Maar wat dan? Ze keek er de oude bank eens op aan, waar ze zoo vaak had zitten droomen, maar zelfs die kon haar dezen keer niet helpen. Neen, ze moest dit ״eruitloopen”, ze moest met zichzelf op weg gaan, om het eens voorgoed en grondig uit te denken. Dus ging ze een langen loop maken, als vanouds. Zoo had ze al zoo menige kwestie uitgedacht.
... En Santje stapte en stapte. Ze kon haar gedachten niet zoo lang bij één zaak bepalen, van alles ging er in haar om... Het was ook mooi weer, het was heerlijk te loopen en de grachten te zien en de groote wolkenmassa's, het rumoer van de straat te hooren, de trams te zien