NANNIE DOET ONTDEKKINGEN. 109
Nannie. ״Misschien vinden ze het een rare wereld."
״Ik denk dat ze de straat nog niet eens goed zien," zei San, ״door die hor heen."
Nannie liet ze wedstrijden doen. Ze zette die vier kleine dikke poesenlijfjes naast elkaar, en dan mochten ze ״los": wie het eerst bij de hor was! Maar de kleine beestjes waren eigenwijs, ze gingen elk een anderen kant op, hoe vaak Nannie ze ook rechtzette. Ze kropen als wormen over de tafel, en de oude poes kwam nu en dan eens kijken, of ze zeggen wou: ik houd er een oogje op, maar ik weet wel dat jullie m'n kinderen geen kwaad zullen doen.
Zoo waren de kleine poesjes een bron van onuitputte-lijk vermaak, en dat nam nog toe toen ze begonnen te groeien en overal heen liepen en op de gekste plaatsen gevonden werden. Toen moeder haar pantoffel wou aan-trekken, vond zij hem gevuld met een zwart hoopje poes, dat zich dat warme nestje voor slaapplaats had uitge-kozen, en één had zich aan het gordijn omhoog gewerkt, en wist niet meer, hoe beneden te komen, en een ander werd in de naaimand gevonden. Moeder vond het lastig, Nannie echter sprong van plezier en liep en draafde om ze weer in hun mandje terug te brengen.
» «
*
Maar door San gingen in dien tijd zooveel gedachten heen. Het was al begonnen, dien morgen, toen Vader met de mededeeling kwam, dat er vier poesjes geboren waren. Wat was dat wonderlijk en vreemd! Nauwelijks was ze bekomen van haar verwondering over de sterren, of nu kwam dit weer. En ze zag, hoe lief de poes voor haar kleintjes was, en dat zij uit haar dronken, en ze dacht: wat is dat mooi, wat is dat prachtig ingericht! En ze wist wel dat het bij de menschen ook zoo was, en ze dacht ook