108 IN DE GOUDEN KLOK.
Ja, dat waren dan de dingen, die aan dien grooten hemel gebeurden, maar er kunnen ook kleine gebeurte-nisjes plaatshebben, in een heel klein huisje, en die kun-nen toch wel minstens zoo interessant en belangrijk zijn voor je eigen kleine denkleventje, als de groote.
Op een morgen kwam Vader met een opgewekt gezicht de kamer binnen. ״Ik feliciteer jullie allemaal!” zei hij. ״We hebben vannacht vier nieuwe huisgenooten gekregen!”
״Hé ... ? Wat... ? Vier wat... ?”
Maar Marix begreep het al. ״O, de poes!" riep hij uit. ״De poes heeft jonkjes!”
״Ga mee kijken!” zei Nannie, maar Vader zei, dat dat niet mocht. Eerst moest de poes 'n paar dagen rust heb-ben. Daarom lag zij ook in het voorkamertje onder in de hangkast. Vader had den vorigen avond het mandje voor haar klaargezet, en daar had zij haar jonkjes in gekregen, en nu moest zij lekker melk hebben, echte dikke melk zonder water erin en met het velletje erbij, want zij moest kracht hebben om die kleine jonkjes te voeden, zei Moe-der. In zoo'n tijd had de poes het altijd erg goed bij hen, Moeder hield wel niet echt van een poes, ze schrok altijd als ze op haar schoot sprong, maar zij zorgde er toch zoo goed voor als zij kon.
En het duurde wel meer dan een week eer ze met de poesjes mochten spelen. Op Zondag is Vaders werktafel leeg, dan staat de hor voor het raam, en het is genoeg-lijk en koddig, de poesjes op die tafel te hebben en ze tegen die hor op te laten klimmen.
Kleine poesjes zijn aardig spul (tenminste voor wie er van houdt). Zij hebben zulke ronde, blauwe oogjes, waar-mee ze geweldig loeren naar een of ander prulding, en ze zijn zoo lekker nieuwsgierig en bijterig en springerig en speelsch.
״Wat zouden ze wel van de straat vinden?” vroeg