106 IN DE GOUDEN KLOK.
tot een klein, glinsterend sikkeltje geworden.
Maar Nannie had een stuk blauw glas gevonden, en hield het iedereen voor den neus, om ernaar te kijken. Door die scherf zag je het veel mooier...
En toen niemand van haar scherf gediend bleek te zijn, hield ze die zelf stijf voor het oog. ״Ooah...!" riep ze verrukt; het was zóó prachtig!
״En nu zie ik het!" riep ze ineens. ״Nu zie i k de Lamaya! Door de scherf kan je ,m zien!" En ze hoopte maar, dat iedereen nu om haar scherf zou komen.
Vader hield het blauwe glas voor de oogen, ״Ja warem-pel!" zei hij, ״nu je 't zegt, zie ik 'm ook. En ik geloof zelfs, als ik goed kijk, dat er juist een man overheen loopt..."
Het gelach dat opsteeg, deed Nannie begrijpen, dat ze iets dwaas moest hebben gezegd.
Ze stampte op den grond. ״En toch heb ik de Lamaya gezien," zei ze, ״ik weet het heel zeker. Door de scherf, hm ...!" De tranen stonden dicht achter haar oogen, maar ze hield zich taai. Het was hoog bedtijd voor Nannie.
״Het kind is op van de slaap!” zei Moeder.
Als ik in bed ben, zal ik wel huilen, dacht Nannie. Dan ziet niemand het. Maar toen ze in bed kwam, was ze in־ geslapen voordat ze aan huilen was toegekomen.
Den volgenden dag gebeurde er iets heel prettigs en on-verwachts voor Santje, 's Namiddags, — haar gedachten waren al lang weer heel ergens anders, maar ze was toch nog onder den indruk van alles, wat ze den vorigen avond doorleefd had, net zooals je soms het gevoel hebt, dat je gehuild hebt, maar je weet heelemaal niet meer waarom, — 's middags kwam Marix bij haar met een boek.
Het was een boek over cosmographie. Hij sloeg er een bladzij van op en wees een hoofdstuk aan.