hem aan, en ook zij zagen het, met hun oogen zeiden zij het elkander en ze fluisterden....
׳־-׳... .Als het maar niet te veel voor haar is geweest....!
Maar zij, of ze het voelde, veerde weer op, de kwieke glans kwam in haar oo-gen, de lach om haar lippen terug.... Wat? ze was niet moe, ze was blij en gelukkig, ze had het heerlijk in haar comfortabele auto, — daar rust men in uit! ׳— en ze zag naar buiten, om toch vooral niets te verliezen van het gaan door de fleurige, kleurige straten, door de vroolijke dichte menigte.... Het rij-den was immers een feestelijkheid op zichzelf! Ja, het was een genot naar buiten te zien, in die zoo fel-levende, drukke, en toch zoo vredig-vroolijke wereld....
De schemer viel, in de winkels begon-nen de lichten aan te komen, zij twin-kelden op, steeds meer, in het rosse
98