kunnen volgen, de goede neef en nicht tegenover hen gezeten, bij wien zij nog, tot slot van den wonderheerlijken dag, een intiem-rustig dinertje zouden gebruiken, en den avond doorbren-gen....
Hand in hand zaten zij, de twee, alsof zij elkander niet durfden loslaten, of het dan te veel zou zijn, het schoone, ge-weldige leven, te zwaar, het geluk, om te dragen.... En zij, ze zat achterover-geleund, met de oogen gesloten, weg-trekkend dat gezichtje, dat figuurtje haast heelemaal, een niets, stervend bij-na van vermoeidheid, en toch met dien verheerlijkten trek op het gezicht, alsof dat lange leven een pate erover had ge-legd, een stralende verklaardheid, die al niet meer van deze wereld was....
En de arme man, die zoo lang naast haar, met haar had geleefd, zag het; een zorg sneed door zijn hart, en bedroefd keek hij de twee menschen tegenover 7 97